Een CSA-boerderij is een boerderij waar een vast aantal mensen vooraf betaalt voor een heel seizoen groente en die groente daarna zelf komt oogsten. CSA staat voor community supported agriculture. Het woord boerderij zegt daarbij iets wat de woorden tuin en tuinderij niet zeggen: er staat al een bedrijf, en de tuin komt daarbij.
Dat verandert de eerste vraag die je moet beantwoorden. Hoeveel plekken je aanbiedt, wordt op zo'n erf niet bepaald door hoeveel grond je hebt. Grond is er meestal wel. Aandacht is er niet, want die moet de tuin delen met alles wat er al liep.
Het korte antwoord staat daarom vooraan en het is saai. Begin met minder plekken dan je aankunt, zet het aantal één keer per jaar vast, en beweeg alleen omhoog. De rest van deze pagina legt uit waarop dat rust en waar de grenzen liggen.
Op een tuinderij is de tuin het bedrijf. Loopt de inschrijving tegen, dan is er geen tweede been om op te staan, dus alles wat er is gaat naar de tuin. Op een boerderij met een zelfoogsttuin erbij ligt dat om. De tuin is een tak, en een tak wordt gewogen op wat hij van de rest afpakt.
| Wat je afweegt | Als de tuin het bedrijf is | Als de tuin erbij komt |
|---|---|---|
| Waar het aantal plekken op stuk loopt | op hoeveel mensen je in je eentje nog kent | op de weken waarin de rest van het bedrijf je ook nodig heeft |
| Wat je doet als de tuin niet vol komt | alles op werven zetten, want er is geen andere tak | het jaar erop minder plekken aanbieden |
| Wat een plek erbij betekent | meer inkomen en meer avondwerk | meer avondwerk, en minder aandacht voor de rest |
Dit is geen kwestie van groot of klein denken. Het is een ander soort beslissing. Bij een tuinderij is het aantal plekken vooral een vraag over je inkomen. Bij een boerderij is het net zo goed een vraag over hoe je week er in juli uitziet.
Reken je de tuin door op oppervlakte, dan kom je bijna altijd uit op meer plekken dan je aankunt. Dat rekensommetje klopt ook. Er groeit genoeg. Alleen komt het werk dat met het aantal leden meegroeit niet uit de grond.
Wat wél meegroeit is het bijhouden: wie er meedoet, wie betaald heeft, wie er halverwege bij kwam en wie er deze maand nog niet is geweest. Dat werk gebeurt niet op het land maar 's avonds. Het valt daarmee precies in de maanden waarin je op een boerenbedrijf toch al niets over hebt.
Daar komt bij dat je de extra handen niet kunt kopen. Wie de tuin doet, doet dat met meewerkende leden en vrijwilligers, en dat zijn dezelfde mensen die betalen. Een plek erbij levert dus geen extra capaciteit op maar een extra mens om iets mee af te spreken. Wat de omvang precies met je week doet, staat op een eigen pagina.
Een zelfoogsttuin heeft twee drukke momenten en die liggen allebei ongelukkig. Het eerste is de winter en het vroege voorjaar: dan moet de inschrijving rond zijn, want daarna is het aantal plekken een gegeven. Het tweede is de zomer, wanneer er elke week mensen op de tuin staan en er elke week een bericht uit moet.
Leg die twee naast de rest van je erf. Wie een minicamping of een winkel aan huis heeft, heeft in de zomer zijn eigen hoogseizoen. Wie vee houdt, weet welke weken in het voorjaar niet verzet kunnen worden. Het aantal plekken is daarom eigenlijk een vraag over die paar weken waarin alles samenvalt, en niet over het jaargemiddelde.
Dat is ook de reden dat een tuin die op papier past in de praktijk knelt. Op jaarbasis is er ruimte zat. In week 25 is die er niet. Hoe dat jaar loopt en wanneer je in het seizoen wat moet doen, staat op een eigen pagina; hier gaat het alleen over wat het met het aantal doet.
De eerste is rekenen op oppervlakte. Zoveel vierkante meter per plek, en dan weet je hoeveel plekken erin passen. Het is de manier die het meest voor de hand ligt en op een erf waar al iets draait de minst bruikbare, want hij gaat over de grond en niet over jou.
De tweede is het aantal van een andere tuin overnemen. Ook begrijpelijk, want er is weinig anders om je aan vast te houden. Het probleem is dat zo'n getal alles meebrengt wat je er niet bij ziet staan: hun grond, hun ligging, hun jaar en of er bij hen iemand meedraait die jij niet hebt.
De derde is de enige die op een boerderij standhoudt. Neem de weken waarin de tuin en de rest van het bedrijf elkaar in de weg zitten, en kijk hoeveel mensen je in díé weken aankunt. Dat getal ligt bijna altijd lager dan het rekensommetje op oppervlakte, en het is het enige dat in juli nog klopt.
Kom je zo op een aantal uit dat je te laag vindt, dan is dat bruikbaar. De vraag is dan niet hoeveel plekken erbij kunnen, maar welke weken je kunt vrijmaken.
Naast een bestaand bedrijf is een tuin die te groot is opgezet lastiger te herstellen dan een tuin die te klein is opgezet. Dat komt door vier dingen, en het derde staat zelden in een rekensom.
Klein heeft wel een bodem. Onder een bepaald aantal blijft de vaste kant van het werk staan terwijl er te weinig mensen zijn om hem te dragen, en dan is het geen bedrijfstak meer. Waar die ondergrens ongeveer ligt en hoe je hem voor je eigen tuin vindt, staat apart.
Bij vrijwel elke andere tak op een erf kun je bijsturen terwijl het loopt. Hier niet. Je verkoopt in de winter plekken die nog niet bestaan, er wordt gezaaid voor een bekend aantal monden, en de mensen die meedoen hebben dan al betaald.
Daaruit volgen drie dingen die in de winter vastliggen en de rest van het jaar niet meer veranderen. Je kunt er in juni niet tien plekken bij doen, want daar staat het gewas niet voor. Je kunt er ook niet tien af doen, want dat geld is binnen en die mensen hebben hun zomer erop ingericht. En je weet pas in maart of het aantal dat je koos ook gehaald is.
Dat maakt de winter het enige moment waarop deze beslissing te nemen is. Dat komt goed uit, want de winter is op het erf ook het rustigste deel van het jaar. Wat je er dan over besluit, bepaalt je hele volgende seizoen.
Zodra het aantal een keuze is geworden in plaats van een gevolg, komen er vier vragen achteraan. Ze hebben allemaal een eigen antwoord en ze staan allemaal op een eigen pagina.
De eerste is hoe ver je omhoog kunt. Er is een aantal waarboven het niet meer werkt, en dat aantal zit niet in je grond maar in hoeveel leden je nog bij naam kent. Boven die grens ga je opzoeken wat je eerst gewoon wist.
De tweede is hoe ver je omlaag kunt. Het meeste werk aan een zelfoogsttuin is even groot bij dertig leden als bij honderd, en juist het deel dat wél meegroeit doen de leden zelf. Daardoor ligt de ondergrens hoger dan de meeste mensen denken.
De derde komt pas als het goed gaat. De tuin zit vol, er staan mensen op een lijst te wachten, en dan moet je kiezen tussen uitbreiden, een tweede tuin beginnen of vol blijven en dat als antwoord accepteren. Die laatste is een volwaardige keuze en geen gebrek aan ambitie.
De vierde is wat het aantal met je week doet. Bij veertig leden zit je ledenlijst in je hoofd. Bij tweehonderd is bijhouden wie wat betaald heeft een taak op zich geworden, en dat is de taak die het minst opvalt en het meest kost.
Er is één misverstand dat het waard is om apart te noemen. Loopt de inschrijving niet vol, dan is de reflex om het volgend jaar met minder plekken te proberen. Soms klopt dat. Maar er is een vraag die eerder aan de beurt is: weten de mensen binnen fietsafstand eigenlijk dat je bestaat?
Dat is een andere vraag met een ander antwoord, en hij kost niets om te stellen. Waar een zelfoogsttuin in Nederland vermeld staat op de lijsten en kaarten waar mensen zoeken, bepaalt voor een deel of je tuin gevonden wordt voordat je aan het aantal gaat sleutelen.
Pas als je zeker weet dat mensen je kunnen vinden en het toch niet vol komt, zegt het aantal iets. Dan is het lager zetten geen nederlaag maar een correctie, en die kun je in de winter zonder gedoe doorvoeren.
Wij bouwen software voor boerenbedrijven, en het werk dat we het liefst wegnemen is het deel dat met het aantal plekken meegroeit: de avonden waarop je bijhoudt wie er meedoet, wie er nog moet betalen en wie er nog niet is geweest. Het kiezen van dat aantal blijft jouw werk, want dat gaat over je erf en je jaar.
Zit je in de winter en twijfel je over hoeveel plekken je volgend seizoen aanbiedt, laat dan eens zien hoe het nu loopt. Hoe je inschrijving gaat, hoe je bijhoudt wie er zijn en hoe je het weekbericht eruit doet. Je hoeft niets voor te bereiden en niets te kiezen: vertellen hoe je het nu doet is genoeg.