Voor wie een CSA-tuin runt

CSA-landbouw: hoeveel leden heb je minimaal nodig?

Geschreven door Brent van den Belt · · 5 minuten lezen

CSA-landbouw is landbouw waarbij een vaste groep mensen vooraf betaalt voor een heel seizoen oogst van één bedrijf. CSA staat voor community supported agriculture. Bij zelfoogst halen die mensen hun deel zelf van het land, elke week, zolang het seizoen loopt.

Er zit een ondergrens aan. Onder een bepaald aantal leden is een zelfoogsttuin geen bedrijfstak meer maar een grote moestuin waar bezoek komt. Dat is een prima tuin om te hebben, zolang je hem zo bedoeld hebt. Het wordt een probleem zodra je er wel van moet leven.

Die ondergrens ligt hoger dan de meeste mensen inschatten, en dat komt door één ding: het werk dat met het aantal leden meegroeit, is bij zelfoogst juist het werk dat je niet zelf doet.

Waarom de ondergrens bij CSA-landbouw hoger ligt dan je denkt

Leg je jaar eens naast elkaar en kijk welk deel groter wordt als er twintig leden bij komen. Het teeltplan maken wordt er niet groter van. De tuin klaarleggen ook niet. Het bord bij de ingang schrijf je één keer per week vol, of er nu dertig of honderd mensen langslopen. Het weekbericht schrijf je één keer.

Wat er wél bij komt per lid is een naam, een betaling en een mens die zelf komt oogsten. Dat laatste kost jou niets, want dat is het hele idee van zelfoogst. Bij een tuin die de oogst in pakketten wegbrengt ligt dat anders: daar groeit het werk wél mee met het aantal, dus daar is klein blijven minder duur.

Bij jou is het omgekeerd. De vaste kant van het werk staat er hoe dan ook, en die betaalt zichzelf pas terug vanaf een bepaald aantal mensen. Daaronder doe je het volledige werk van een tuinderij voor een handjevol leden.

Drie dingen die onder die grens misgaan

Het eerste is dat de vaste kant van het werk je opeet. Je bent evenveel avonden kwijt aan het regelen als iemand met twee keer zoveel leden, en die avonden verdwijnen niet als je het rustiger aan doet. Ze zitten vast aan de tuin en niet aan het aantal.

Het tweede is dat de groep niet meer werkt. Leden komen voor de groente, maar ze blijven ook omdat er op een zaterdagochtend andere mensen staan. Is de tuin altijd leeg als iemand komt oogsten, dan mist hij de helft van waarvoor hij betaalde, en dat merk je pas bij de verlenging.

Het derde is dat elke opzegging een gat slaat dat je niet kunt vullen. Bij een klein aantal leden is er geen wachtlijst en zijn er geen mensen die te laat waren. Zegt er in maart iemand op, dan blijft die plek het hele seizoen leeg, want in week twintig haal je hem niet meer in.

Die drie versterken elkaar. De tuin die te klein is opgezet, kost je de meeste avonden, houdt de minste mensen vast en herstelt het traagst van een opzegging.

Hoe je je eigen ondergrens vindt

Er bestaat geen aantal dat voor elke tuin klopt, en er is geen lijst waar je het kunt opzoeken. Wat wel kan, is het voor je eigen tuin uitrekenen in weken werk in plaats van in getallen die iemand anders heeft bedacht.

  1. Tel de weken waarin je iets voor de tuin doet, ongeacht hoeveel leden er zijn. Dat is je vaste kant, en die is meestal groter dan gedacht omdat het grootste deel van het jaar erin zit.
  2. Zet daarnaast wat er per lid bij komt. Bij zelfoogst is dat een inschrijving, een betaling en soms een vraag. Meer niet.
  3. Toets het daarna met één vraag: kunnen er twintig leden bij zonder dat je week noemenswaardig verandert? Is het antwoord ja, dan zit je onder je grens, want dan draag je die vaste kant met te weinig mensen.

Wat een plek in de tuin je per seizoen kost voordat je bepaalt wat je ervoor vraagt, is een aparte som. Deze pagina gaat over het aantal en niet over het bedrag.

Waarom tuinen op een te laag aantal blijven hangen

Het eerste jaar klein beginnen is verstandig. Je weet nog niet hoe de grond loopt, je weet nog niet hoeveel vragen er komen, en je hebt nog niets bewezen aan mensen die een heel seizoen vooruit moeten betalen.

Het misgaat pas in het tweede en derde jaar. Het loopt, iedereen is tevreden, en het aantal blijft staan omdat er geen moment is waarop iemand vraagt of het nog klopt. Ondertussen is de vaste kant van het werk niet kleiner geworden.

Daar helpt één ding bij, en dat is dat de beweging maar één kant op makkelijk is. Plekken erbij doen kan gewoon: je biedt ze aan in de winter en je ziet of ze vol komen. Plekken eraf halen kan niet, want dan stuur je mensen weg die al betaald hebben. Twijfel je tussen twee aantallen, dan is het lagere aantal het risico en niet het hogere.

Waar de bovenkant ligt

De ondergrens heeft een tegenhanger. Groeien werkt tot het punt waarop je de mensen niet meer bij naam kent, en daarboven verandert het werk van aard. Waar die bovengrens ligt en hoe je merkt dat je erover zit, staat op een eigen pagina.

Tussen die twee grenzen ligt jouw aantal, en dat is smaller dan het klinkt. Staat de tuin naast een ander bedrijf op hetzelfde erf, dan schuift de bovenkant omlaag terwijl de onderkant blijft waar hij is. Wat dat betekent voor hoeveel plekken je aanbiedt naast wat er al draait, staat op de pagina waar deze bij hoort.

Laat je seizoen eens zien

Twijfel je of je tuin groot genoeg is om een bedrijfstak te zijn, dan is de bruikbaarste vraag welk deel van je werk aan het aantal hangt en welk deel er sowieso staat. Dat is in een gesprek van een half uur zichtbaar te maken.

Laat daarom eens zien hoe je seizoen loopt: hoe je inschrijving gaat, hoe je bijhoudt wie er zijn en hoe je het weekbericht eruit doet. Je hoeft niets voor te bereiden en niets te kiezen. Vertellen hoe je het nu doet is genoeg.